Het is vroeg in het voorjaar van 1884, Vincent begint zijn draai te vinden in Nuenen. Aanvankelijk voelde hij zich niet thuis bij zijn ouders. Hij schrijft daarover aan zijn broer Theo:

“ik ben hier nu al twee weken en gevoel me niet verder dan het eerste halfuur; indien we elkaar beter begrepen hadden, hadden we nu al dit en dat op zijn poten gehad – ik kan geen tijd verliezen en moet een beslissing nemen. Een deur moet open zijn of dicht – iets tussen beide begrijp ik niet en is eigenlijk niet bestaanbaar”.

Maar nadat zijn ouders besluiten om het washok leeg te maken zodat Vincent de ruimte kan gebruiken als atelier draait het oordeel over zijn vader. Hij is verzacht zoals hij schrijft aan zijn broer Theo en hij besluit langer bij zijn ouders te blijven wonen. Terwijl Vincents moeder in januari 1884 bij het uitstappen van de trein haar been breekt verdiept Vincent zich in het leven van boeren en wevers. Hij vindt de omgang met deze mensen plezieriger en begint lange wandelingen te maken over het platte land en de heide in de omgeving van Nuenen. In deze tijd maakt hij Slootjes, Mastbomen in ’t ven en Rietdaken.
Zo vertrekt hij op een onstuimige dag in april voor een lange wandeling. Buiten bloeien de bomen – en is het juist het moment waarop het nog niet te heet is voor verre tochten. Hij passeert het kerkje van zijn vader en wandelt over de Papenvoort richting Gerwen en gaat het bruggetje over bij de Hooidonkse beek, het land van zwarte akkers waar noeste zaaiers en spitters hun werk verrichten. De bomen stonden in bloei en de natuur was in deze dagen verbazend echt volgens Vincent.

Hij passeerde boerderijen met rietendaken op het Langlaar en het Alvershool waar het Brabantse mozaïeklandschap werd omzoomd met populieren en oude eiken . Hij was opzoek naar stemmingen in de natuur die hij kon uitdrukken op papier, naar expressie, naar sentiment. Meer dan alleen techniek, hij was op zoek naar karakter. Daarvoor moest de penstreek iets gewilds en gemotiveerds hebben. Hij vervolgde zijn weg over de Stiphoutseweg naar het Moorven, een zandpad met links berkenbomen en rechts heide tot in het oneindige met op de voorgrond een partij schapen die hij in een van zijn brieven eivormige massa’s van wol en modder noemde. Het waren de bloeiende bomen, het ouderwetse en rustieke karakter van het Kamerven op de Geeneindse heide wat hem trof, de heide die hem kalmeerde en stemde tot geloof en berusting en waar hij Mastbomen in ’t ven tekende.
De route die Vincent in april 1884 liep bestaat nog steeds, het leidt ons van Nuenen naar Gerwen over het Alvershool langs landerijen en het Kamerven naar het Hof van Lieshout en de molen Vogelzang. Alleen het stukje zandpad wat hem van het Moorven naar het Kamerven leidde, is in de tijd verloren gegaan. Sinds 1900 staat het niet meer op de kaart. De molen Vogelzang heeft Vincent met zijn vriend Antoon Kerssemakers meerdere keren bezocht voor een schilderexcursie en ook in zijn brieven verwijst hij naar deze molen als het gaat over het schilderij “Molen op de hei in avondlucht”. Ook de pentekening “Mastbomen in het Ven” die hij in April 1884 maakte, is waarschijnlijk het aan dit pad gelegen Kamerven. In een brief aan zijn vriend Anthon van Rappard refereert hij aan verre tochten die hij had gemaakt en naar tekeningen Slootjes, Mastbomen in het Ven en Rietdaken.