Bewoningsgeschiedenis
Gemeente Nuenen Gerwen Nederwetten

Gemeente → Nuenen Gerwen Nederwetten

Nuenen

De gemeente omvat de onderstaande woonkernen.

  1. Gerwen
  2. Nederwetten
  3. Nuenen
  4. Opwetten
  5. Vaarle

Van de prehistorie tot 1300

Na de laatste IJstijd vestigden zich de eerste mensen op een smalle dekzandrug die evenwijdig aan de Dommel liep. De oudste voorwerpen die gevonden zijn worden toegeschreven aan de Tjongercultuur uit het Laatpaleolithicum. Het betreft hier een rendierjagerscultuur.

Enige voorwerpen uit het Mesolithicum werden gevonden te Vaarle en op de Refelingse Heide. Deze pijlpunten dateren uit omstreeks 8000 v.Chr. en waren afkomstig van jagers en verzamelaars. Geleidelijk aan drong de landbouw vanuit het zuiden op naar minder vruchtbare gebieden. Uit deze Neolithische cultuur, die omstreeks 5000 v.Chr. in dit gebied zal zijn begonnen, zijn fraaie stenen bijlen bekend.

De dekzandruggen die zich ter weerszijden van de Hooidonkse Beek bevonden bleken geschikt voor akkerbouw en bewoning. Ten noorden van deze beek zou uiteindelijk Gerwen ontstaan, terwijl ten zuiden ervan Nuenen ontstond, aanvankelijk als een verzameling verspreide agrarische gebouwen. Ook uit de Bronstijd (ongeveer 1500 v.Chr.) zijn voorwerpen gevonden. Uit deze tijd stammen ook enkele grafheuvels en urnenvelden, die tot in de IJzertijd gebruikt werden. Deze verschijnselen wijzen op het bestaan van permanente nederzettingen. Ze worden beschouwd als noordelijke uitlopers van de Keltische cultuur. Vanaf 57 v.Chr. vond een toenemende Romanisering plaats. Nadat omstreeks het jaar 300 het Romeinse Rijk steeds verder verzwakte, ontvolkte het gebied ten gevolge van de chaos, ontstaan door de volksverhuizingen. Er zijn diverse archeologische vondsten en nederzettingen uit de Romeinse tijd bekend.

Geleidelijk aan vestigden zich weer mensen in het gebied en kwam ook de kerstening op gang, onder andere vanuit de abdij van Sint-Truiden. Dit geschiedde vermoedelijk op het eind van de 7e eeuw. Vanaf 800 tot 1250 neemt de bewoning toe, vooral op de plaatsen die reeds veel eerder bewoond waren.

Schriftelijke bronnen treffen we aan vanaf 1107. Deze zijn aanvankelijk afkomstig van de Abdij van Sint-Truiden die, via de parochies van Son en Woensel, ook die van Nuenen, Gerwen, en Stiphout bediende. Sint-Clemens werd in voornoemde abdij vereerd. Wereldlijke heren eigenden zich het bezit van de abdijen toe, maar uit zorg voor hun zielenheil schonken zij ook weer goederen aan de kerk. Zo werd Nuenen in 1225 door Dirk van Altena aan het kapittel van Kortessem geschonken. Het wereldlijk bestuur vond in de 13e eeuw waarschijnlijk plaats vanuit het graafschap Rode, waarvan de zetel in Sint-Oedenrode gezocht moet worden. Oorspronkelijk stond dit onder invloed van Gelre, maar het werd in 1231 onderdeel van het hertogdom Brabant.

Op Sint-Barbaradag, 4 december 1300 schreef Hertog Jan II van Brabant een brief waarin hij de gemene gronden aan de inwoners van Nuenen en Gerwen in bruikleen gaf. Deze brief is bewaard gebleven. Het betrof woeste gronden voor gemeenschappelijk gebruik. De huidige gemeentelijke bossen zijn hieruit voortgekomen. Op deze dag werden ook gemene gronden uitgegeven aan andere gemeenten. De hertog deed dit vooral om inkomsten te verwerven.

Van 1300 tot 1648

De uitgifte van gemeenterechten was de eerste aanzet tot geregeld bestuur. Tussen 1300 en 1346 is de eerste schepenbank opgericht. Nuenen was in de 14e en 15e eeuw een hertogsdorp wat betekende dat de hertog er rechtstreekse invloed had. De eerste helft van de 15e eeuw was een rustige tijd zonder oorlog waarin de welvaart toenam. Er werd, mogelijk in 1467, met de bouw van een kerk in Kempense gotiek begonnen, op de plaats van een voorganger waaromtrent niets bekend is. Deze kerk stond op de Oude Begraafplaats. Ze werd in 1513 door brand beschadigd en daarna weer opgebouwd. In 1486 werd de verenigde parochie Nuenen en Gerwen gesplitst. Beide parochies hadden reeds een kerk. In 1452 werd te Nuenen een klooster voor Augustinessen ingericht, dat vanwege wateroverlast na 1462 verplaatst werd naar de huidige locatie Soeterbeek, op een hoogte bij de Dommel. De kloosterlingen waren slotzusters. Ze beoefenden de linnenfabricage om in hun onderhoud te voorzien.

Aangezien het hertogdom Brabant steeds groter werd, werd het bestuur ervan gedecentraliseerd en in Nuenen viel het onder de kwartierschout van Peelland.

Vanaf 1472 viel de hertog van Gelre meermalen het gebied in, en vonden plunderingen plaats. In Nuenen en Gerwen vond daardoor een terugval plaats in welvaart, bevolking en aantal huizen. Zo richtten de Gelderse troepen in 1512 grote schade aan. Oorlogshandelingen zouden het gebied daarna nog vele eeuwen teisteren. De oorlogen met Gelre duurden tot 1543 en eisten hun tol, terwijl ook de kosten van de verdediging door de dorpen moesten worden opgebracht. In dat jaar plunderde Maarten van Rossum het klooster Soeterbeek, maar zijn troepen werden uiteindelijk verslagen door keizer Karel V.

In 1558 werd Nuenen een heerlijkheid. Dit wil zeggen dat de hertog zijn rechten, zoals jachtrecht, benoemingsrecht en dergelijke, verpandde voor bepaalde tijd, aangezien hij geld nodig had. De hertog was toen Filips II. De heer liet een kasteel bouwen te Opwetten. De Collse watermolen was sedert 1335 eigendom van de heren van Mierlo.

De Tachtigjarige Oorlog werd merkbaar vanaf 1579. Toen Maastricht op de opstandelingen werd veroverd, verwoestten dezen Hooidonck. Daarna was de streek strijdtoneel van Spaansgezinde en Staatse troepen. In 1587 werd Gerwen en een deel van Nuenen door Staatse troepen verwoest. Daarna trokken regelmatig ongedisciplineerde Spaanse en Staatse troepen door de streek die plunderden of moesten worden onderhouden. Tijdens het Twaalfjarig Bestand was er sprake van enige wederopbouw, maar na 1621 begon de strijd weer, en na het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 brak een periode van gezagsvacuüm aan, de Retorsieperiode, waarin niet duidelijk was wie de baas was in de Meierij, zodat plunderingen door troepen van beide zijden regelmatig plaatsvonden. In 1637 brak een pestepidemie uit die door de soldaten was overgebracht. Daaraan kwam pas een einde door de Vrede van Münster in 1648.

Van 1648 tot 1810

Nu Nuenen officieel Staats was, werd de uitoefening van de katholieke eredienst verboden en kwamen de kerken in handen van de hervormden. De heerlijkheid Nuenen hield op te bestaan in 1659 toen Nuenen een statendorp werd, bestuurd door de kwartierschout van Peelland in opdracht van de Staten-Generaal. Nederwetten werd een zelfstandig statendorp. Men eiste dat de overheidsfunctionarissen protestant waren.

Omstreeks deze tijd moet de huidige Nuenense dorpslinde zijn geplant. Er was enige nijverheid in de vorm van brouwerijen en later ontwikkelde zich ook de klompenmakerij. Geleidelijk aan werden er meer bomen geplant. Delfstoffen waren leem en turf. Reeds in 1692 is sprake van een fabrikeur die garens inkocht en deze middels huisarbeid door wevers liet verwerken tot lakens. Ook spinnen vond in Nuenen plaats en de watermolens werden gebruikt als volmolens.

De rooms-katholieke kerken werden onteigend en de kloosters werden opgeheven, maar het klooster Soeterbeek mocht blijven bestaan tot de laatste non gestorven was. Er mochten echter geen novicen meer worden aangenomen, wat heimelijk toch nog gebeurde. In 1732 werd ook dit klooster opgeheven en vertrokken de zusters naar Deursen. Kunstschatten uit het Nuenense klooster zijn nog in Deursen aanwezig.

De katholieken waren aanvankelijk aangewezen op de Grenskerk tussen Maarheeze en Weert, die niet in Staats-Brabant, maar in het Graafschap Horn lag. Vanaf 1671 mocht de mis weer worden opgedragen en in 1695 werd waarschijnlijk de eerste schuurkerk ingericht. Het kapittel van Kortessem bezat nog steeds de tiendrechten van de nu protestante kerk, maar betaalde nauwelijks mee aan het onderhoud van de kerk. In 1779 sloeg de bliksem in de kerktoren en stortte een gedeelte ervan in. In 1795 werd het kapittel door de Fransen opgeheven en in 1798 werd de kerk teruggegeven aan de katholieken, maar in 1800 vernielde een storm de kerk onherstelbaar.

Het adellijk grootgrondbezit werd voor een deel geliquideerd omdat het niet meer rendabel was. In 1734 werd in Nuenen het eerste raadhuis gebouwd.

De oorlogen bleven voortduren omdat de streek in een bufferzone was gelegen. Eerst kreeg men te maken met soldaten van de bisschop van Münster in 1666 en met Fransen die deze troepen weer verdreven. Tussen 1672 en 1678 ging het om Franse troepen van Lodewijk XIV. Dit werd de Hollandse Oorlog genoemd. Opnieuw kwamen Franse troepen tijdens de Negenjarige Oorlog die van 1688 tot 1679 duurde. De Fransen en de op hen volgende Staatse troepen moesten betaald worden door de bevolking. Vervolgens was er de Spaanse Successieoorlog van 1702-1713, waarbij de Republiek tegen Frankrijk vocht en Nuenen en omgeving last hadden van plunderende Engelse troepen. Daarna kwam de Oostenrijkse Successieoorlog van 1740-1748, waarbij de Republiek steun verleende aan Oostenrijk en troepen toeliet, waarvoor de bevolking de rekening moest betalen.

In 1794 bereikten de Franse troepen, onder bevel van Pichegru, Nuenen, waar de bevolking de troepen moest onderhouden. In 1810 werd de Republiek ingelijfd bij Frankrijk.

Van 1810 tot 1944

Nuenen in 1866

De invoering van modern bestuur door de Fransen betekende de oprichting van gemeenten in de moderne zin. In 1810 vormde Nuenen met Gerwen een gemeente, in 1821 werd daar Nederwetten bijgevoegd.

Het kasteel te Opwetten, en het klooster te Soeterbeek, vervielen. In 1835 werd te Soeterbeek een herenhuis gebouwd door de textielfabrikantenfamilie Smits van Oyen. Hier werd een tuin aangelegd die er nog steeds is. Sedert 1846 loopt het Eindhovens Kanaal door de gemeente. De eerste spoorweg, inclusief station Nuenen-Tongelre te Eeneind, werd in 1866 geopend. De eerste verharde weg, van Lieshout via Gerwen en Nuenen naar Tongelre, kwam in 1872 gereed. In Nuenen ontstonden een aantal kleine textielfabrieken die deels op huisarbeid waren gebaseerd. Van belang is dat dominee Begemann in 1845 met een linnenfabriek begon. Dit werd in 1871 een stoomweverij, die echter reeds in 1879 failliet ging. Ook een korenmolen werd gebouwd, die in 1884 in gebruik werd genomen. In 1917 werd een boterfabriek gebouwd en in 1921 een landbouwwerktuigenfabriek. In 1920 verrees te Eeneind een steenfabriek. Geen van deze bedrijven bestaat nog.

De beschadigde kerk was voor de katholieken niet meer bruikbaar, zodat zij de schuurkerk bleven gebruiken. In 1823 werd de ruïne van de oude kerk gesloopt om met de stenen de schuurkerk te herstellen. In 1854 kwam de parochie Nuenen bij het decanaat Eindhoven. Pastoor Van Lent nam het initiatief tot de bouw van de huidige Sint-Clemenskerk.

De Aardappeleters (Van Gogh Museum)

Architect was Carl Weber en in 1872 werd de kerk ingewijd. De schuurkerk werd afgebroken en ook de toren van de Oude kerk werd in 1885 afgebroken. De Sint-Antoniuskapel te Opwetten liet men vervallen. In 1887 werd het Sint-Elisabeth gesticht van de Zusters van Liefde gebouwd. De bebouwing in de buurt van de nieuwe kerk leidde tot een verplaatsing van het centrum van Nuenen naar het Park. De hervormde gemeente werd bij die van Mierlo gevoegd, waar in 1812 een klein kerkje was gebouwd. Dit was niet praktisch, en in 1824 werd te Nuenen het kerkje aan de Papenvoort gebouwd, nu bekend als het Van Goghkerkje. Vincent van Gogh woonde van 1883 tot 1885 te Nuenen. Aandacht voor zijn persoon en werk kwam pas in 1930, terwijl in 1932 een monument te zijner eer bij de lindeboom werd onthuld.

Aardappelziekten leidden vanaf 1845 tot misoogsten. Dit leidde tot armoede en tiendoproeren. Men heeft de middeleeuwse tiendrechten, die sedert 1810 in handen van de Domeinen of van particulieren waren, afgekocht.

In de eerste helft van de twintigste eeuw verdubbelde de Nuenense bevolking. Het aandeel van fabrieksarbeiders nam toe. Het Park, oorspronkelijk een bleekveld voor het klooster, werd verfraaid met een muziekkiosk in 1904. De katholieke pastorie werd gebouwd in 1910 en het Park werd aangelegd in 1920.

De bezettingsjaren tijdens de Tweede Wereldoorlog, van 1940 tot 1944 brachten een geleidelijk toenemende repressie en verzet, en enige schade door bommen en enkele neerstortende vliegtuigen. In september 1944 vond de Operatie Market Garden plaats waarbij in Son een noodbrug werd aangelegd door de Amerikanen. De Duitsers probeerden deze brug te bereiken, konden niet over de brug bij Soeterbeek, die daarom Willem Hikspoorsbrug is gaan heten naar de tuinman van Soeterbeek die de Duitsers adviseerde om rechtsomkeert te maken. Uiteindelijk konden een aantal Britse tanks wel over deze brug heen om op te rukken. Nuenen werd op 21 september 1944 bevrijd. Bij deze strijd werd schade aangericht en vielen enkele slachtoffers. Ook Gerwen en Nederwetten werden dezer dagen bevrijd. Ook na de bevrijding vielen nog enkele Duitse bommen die slachtoffers maakten.
Van 1944 tot heden

Na de Bevrijding wordt Nuenen vooral gekenmerkt door een snelle groei en door de bouw van vele nieuwbouwwoningen. Daarmee werd Nuenen tot een forensengemeente van Eindhoven.

Door de uitbreiding van Nuenen, aanvankelijk in westelijke richting, ontstond behoefte aan een tweede kerk, de Sint-Andrieskerk, die in 1964 tot stand kwam maar, door verkeerde planning en de intredende ontkerkelijking, op 30 juli 2006 werd afgestoten. De kerk is juli 2007 gesloopt voor de bouw van appartementen. De luidklokken van de kerk doen nu dienst in een nieuwe gebouwde kerk in Kabanjahe in Noord-Sumatra.

Met name de woningbouw in Nuenen-Zuid deed het inwonertal toenemen. Ook Nuenen-Oost werd gebouwd, waarbij de Hooidonkse Beek werd overschreden. Er kwamen nieuwe bedrijventerreinen, terwijl de oude industriële bedrijven aan de Berg verdwenen. In 2006 werden plannen gepresenteerd voor uitbreiding in westelijke richting, waarbij Boord en Opwetten vrijwel aan de nieuwbouw zullen grenzen.

Een reeks van feesten en herdenkingen vond plaats in Nuenen: de Vincent van Goghjaren 1990 en 2003, 700 jaar gemeenterechten in 2000, het 500-jarig jubileum van de parochie Nuenen in 1996 en 350-jarig bestaan van de hervormde gemeente Nuenen in 1998. Deze gebeurtenissen gingen gepaard met manifestaties, de uitgifte van gedenkboeken, en de onthulling van monumenten zoals het standbeeld van Jan II van Brabant.

Kerkelijke geschiedenis

De Nuenense katholieke parochie is in 1496 afgesplitst van de parochie Nuenen-Gerwen. Het 500-jarig jubileum van deze gebeurtenis werd in 1996 gevierd met de uitgave van een gedenkboek: 'Vijf eeuwen kerkdorp Nuenen'.

Naast de Clemenskerk werd in 1964 een tweede parochiekerk ingewijd, de Sint-Andrieskerk. Deze werd ontworpen door Jan de Jong en is een voorbeeld van architectuur van de Bossche School. Het was een sober bakstenen kerkgebouw met vaste getalsverhoudingen, namelijk 3:4. Door verkeerde planning, gevoegd bij de algemene ontkerkelijking, werd het gebouw op 31 december 2003 buiten gebruik genomen en in 2007 werd de Sint-Andrieskerk gesloopt. Het drieluik van Hugo Brouwer werd verplaatst naar de kerk van Odiliapeel, wat eveneens een kerk is van de Bossche School. Ook het tabernakel zal een plaats in deze kerk vinden. Op de plaats van de Andrieskerk is een multifunctioneel gebouw gekomen met een brede school en appartementen.

De drie parochies Nuenen, Gerwen en Nederwetten zijn op 1 april 2013 samengevoegd onder de naam Parochie Heilig Kruis Nuenen.

De Nuenense Hervormde gemeente werd in 1648 gesticht, bij de Vrede van Münster. Het 350-jarig jubileum van deze gebeurtenis werd in 1998 gevierd, eveneens met de uitgave van een gedenkboek: 'Van kwast tot regenboog: een schildering van 350 jaar protestantisme in Nuenen'. De hervormde gemeente van Nuenen staat, samen met die van Geldrop, aan de wieg van het Samen op Weg-proces dat geleid heeft tot de kerkfusie waaruit de PKN is voortgekomen. Sedert einde 1974 bestond te Nuenen reeds een samenwerking aan de basis tussen gereformeerden en hervormden, toen Reformatorische Gemeente Nuenen (RGN) en thans Protestantse Gemeente Nuenen (PGN) geheten.

In tegenstelling tot de landelijke trend groeide het aantal protestanten in Nuenen, vooral ten gevolge van import en de groei van het inwoneraantal. Dit leidde ertoe dat het Van Goghkerkje te klein werd en, na een aantal jaren van nood-oplossingen, werd het kerkelijk centrum 'De Regenboog' gebouwd.

Ook de samenwerking tussen de rooms-katholieken en de protestanten is in Nuenen al vroeg van de grond gekomen. Gezamenlijk overleg en gezamenlijke diensten zijn er in Nuenen meermalen geweest.

(Uit de Wikipedia)